Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat de bij de rechtbank gesloten vaststellingsovereenkomst over 2018 X bindt, zodat de aanslag juist is.

X is bestuurder van Stichting X, die alle aandelen houdt in X BV en middellijk aandeelhouder is in Y BV. X ontvangt in 2017 en 2018 loon van X BV en Y BV. X stelt dat de inkomsten terugliepen en hij daarom in die jaren feitelijk minder loon heeft ontvangen. Het loon in de aangiften IB/PVV wijkt om die reden af van de jaaropgaven. X claimt bovendien in de aangifte IB/PVV 2017 aftrek van specifieke zorgkosten van € 3.222. De inspecteur corrigeert de aangiften IB/PVV 2017 en 2018 door aan te sluiten bij de jaaropgaven en de zorgkosten niet in aftrek toelaat. Bij de rechtbank sluiten partijen voor 2018 een vaststellingsovereenkomst, waarmee X de looncorrectie accepteert. In geschil bij het hof is of de correcties van de inspecteur terecht zijn en of X aan de vaststellingsovereenkomst over 2018 gebonden blijft.

Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat de inspecteur bij IB/PVV 2017 terecht het loon uit de jaaropgaven volgt en geen specifieke zorgkosten toestaat. De bij de rechtbank gesloten vaststellingsovereenkomst over 2018 bindt X, zodat ook die aanslag juist is. X maakt met zijn verklaringen en stukken geen lager loon aannemelijk. Bovendien is met dat wat hij aanvoert niet aannemelijk dat sprake is van dwaling die zou kunnen leiden tot vernietiging van de vaststellingsovereenkomst. Dat X een andere uitkomst voor ogen staat dan eerder is afgesproken, maakt dit niet anders. Het hof verklaart X’ hoger beroep ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.81

Burgerlijk Wetboek Boek 7 artikel 900

Instantie: Hof 's-Hertogenbosch

Rubriek: Inkomstenbelasting, Loonbelasting

Editie: 14 april

Informatiesoort: VN Vandaag

9

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen