X ontvangt over het jaar 2023 toeslagen op basis van een geschat inkomen, waarbij zij zich heeft laten helpen door een medewerker van de Dienst Toeslagen bij de aanvraag. Na de vaststelling van het toetsingsinkomen door de Belastingdienst herziet de Dienst Toeslagen de toeslagen, hetgeen leidt tot terugvordering van de betaalde voorschotten.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt over toepassing van het evenredigheidsbeginsel en de “menselijke maat” bij terugvordering van toeslagen. Uitgangspunt blijft dat voorschotten naar hun aard voorlopig zijn en dat de Dienst Toeslagen bij de definitieve vaststelling mag uitgaan van inkomensgegevens van de Belastingdienst. Er bestaat ruimte voor matiging indien bijzonder omstandigheden dit rechtvaardigen, zoals inmiddels is gecodificeerd in art. 13b Awir. De Afdeling acht in het geval van X dergelijke omstandigheden aanwezig. Doorslaggevend is dat X zich actief tot de Dienst Toeslagen heeft gewend om haar toeslagen correct te laten aanvragen en daarbij haar inkomensgegevens heeft verstrekt. De aanvraag is vervolgens ingevuld door een medewerker van de Dienst. Omdat het relevante aanvraagformulier ontbreekt en geen dossiernotities zijn gemaakt, kan niet worden vastgesteld wie verantwoordelijk is voor het te laag ingeschatte inkomen dat tot de terugvordering heeft geleid. De gevolgen daarvan mogen niet voor rekening van X komen. De Dienst had de terugvordering moeten matigen. De Afdeling voorziet zelf in de zaak en stelt het terug te vorderen bedrag vast op nihil.
Wetingang:
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen artikel 13B
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen artikel 20
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen artikel 26
Algemene wet bestuursrecht artikel 3.4
Instantie: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Rubriek: Toeslagen en zorgverzekeringswet, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 30 maart
Informatiesoort: VN Vandaag