Hof Den Haag oordeelt dat de inspecteur niet aannemelijk maakt dat het beleggingspand nog steeds tot het vermogen van X behoort. De inhoud van het strafvonnis volstaat daar namelijk niet toe.

X is in 2019 door de strafrechter veroordeeld voor het plegen van gewoontewitwassen. Tegen dit vonnis loopt een hoger beroep. Op basis van het vonnis stelt de inspecteur dat X voor 2018 een onjuiste IB-aangifte heeft gedaan. Vanaf 2007 heeft X volgens het vonnis grote bedragen contant op zijn bankrekeningen gestort. Deze bedragen zijn vervolgens overgemaakt naar notarissen en hiermee zijn telkens hypothecaire leningen verstrekt ten behoeve van de aankoop van vier panden. Eén van de betreffende panden had X in 2008 zelf op een executieveiling gekocht voor € 1.040.000 en voor dezelfde prijs doorverkocht en geleverd aan een Limited (LTD) waarvan hij zelf de UBO was. De LTD is in 2010 opgeheven en in de IB-aangifte van X over 2013 is de lening afgewaardeerd tot nihil. Volgens de inspecteur is X de eigenaar van het pand en had hij het in box 3 naar de WOZ-waarde moeten aangeven. Rechtbank Den Haag stelt de inspecteur in het gelijk. X gaat in hoger beroep.

Hof Den Haag oordeelt dat de inspecteur niet aannemelijk maakt dat het pand nog steeds tot het vermogen van X behoort. De inhoud van het strafvonnis volstaat niet om voor de IB-heffing vast te stellen dat X en LTD in werkelijkheid hebben beoogd de eigendom van het pand bij X te laten en dat sprake was van een schijnoverdracht. De inspecteur heeft wel terecht in totaal € 842.931 als bezitting in aanmerking genomen. Voor dat bedrag heeft X namelijk in het verleden hypothecaire leningen aan derden verstrekt. De helft daarvan (minus heffingsvrij vermogen) is terecht bij zowel X als bij zijn echtgenote belast. Niet aannemelijk is dat de inspecteur over meer stukken beschikt dan het strafvonnis met bijlagen. Er is ook geen schending van het una via-beginsel (verbod dubbele vervolging), omdat het strafvonnis geen betrekking heeft op de IB-aangifte over 2018. Het beroep is deels gegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.1

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 2.17

Algemene wet bestuursrecht artikel 5.44

Algemene wet bestuursrecht artikel 8.42

Instantie: Hof Den Haag

Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht, Strafrecht

Editie: 22 januari

Informatiesoort: VN Vandaag

42

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen