X doet BTW-aangifte over het vierde kwartaal 2023. In deze aangifte verzoekt hij per saldo om een BTW-teruggaaf van € 19.999 (het teruggaafverzoek). De BTW-teruggaaf houdt volgens X verband met een oninbare vordering van van € 91.482. De inspecteur corrigeert de voorbelasting volledig en stelt de teruggaafbeschikking op nihil vast. In X' dossier bevindt zich een brief van 5 maart 2012 waarin de inspecteur afspraken vastlegt over de fiscale behandeling van de oninbare vordering voor de inkomstenbelasting en over systeemaanslagen omzetbelasting 2006 tot en met 2011. X gaat in beroep. In geschil is of X recht heeft op een BTW-teruggaaf.
Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de inspecteur X' verzoek om een BTW- teruggaaf terecht afwijst. X maakt niet aannemelijk dat in verband met de gestelde vordering BTW is voldaan. De inspecteur heeft het bestaan van de betaling van BTW gemotiveerd betwist en X heeft geen stukken overgelegd. Verder oordeelt de rechtbank dat de brief uit 2012 en de overige correspondentie uitsluitend afspraken over inkomstenbelasting en oude systeemaanslagen omzetbelasting bevatten, zodat de inspecteur bij X geen rechtens te beschermen vertrouwen wekt over een latere teruggaaf. X' beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 29
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 31
Instantie: Rechtbank Noord-Nederland
Rubriek: Omzetbelasting
Editie: 5 maart
Informatiesoort: VN Vandaag