X BV vormt een fiscale eenheid voor de omzetbelasting met Y BV en Z BV. Z BV drijft een groothandel in metalen en doet in de periode maart 2020 tot en met januari 2022 elf maandaangiften omzetbelasting met teruggaafverzoeken voor in totaal € 3.152.446 aan voorbelasting, gebaseerd op self-billing afspraken met vier ondernemers. De inspecteur vraagt om aanvullende informatie, ontvangt facturen en verrekeningsovereenkomsten, maar weigert de teruggaaf bij beschikkingen. X BV maakt bezwaar, waarna de administratie van Z BV in een strafrechtelijk onderzoek in beslag wordt genomen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, X BV gaat in hoger beroep.
Hof Den Haag oordeelt dat X BV de bewijslast draagt voor het recht op aftrek van voorbelasting en dat zij niet aannemelijk maakt dat de vier ondernemers daadwerkelijk aan Z BV leveren. De door Z BV zelf opgestelde self-billingfacturen en verrekeningsovereenkomsten, mede ondertekend door katvangers, vormen onvoldoende bewijs, temeer nu strafrechtelijk onderzoek ernstige onregelmatigheden rond documentatie, bestuurders en geldstromen blootlegt. Het hof acht de gestelde bewijsnood door inbeslagname en tijdsverloop ongeloofwaardig en stelt dat van X BV een zorgvuldige administratie mag worden verwacht, mede gezien de verschillende BTW-regimes. Het hoger beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 7
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 15
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.58