X voldoet over het tijdvak 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019 op aangifte € 749.492 omzetbelasting. X maakt bezwaar en verzoekt om teruggaaf van € 211.092, maar de inspecteur wijst dit verzoek af. X stelt beroep in bij Rechtbank Gelderland, die een teruggaaf van € 66.210 toekent. De inspecteur stelt vervolgens hoger beroep in bij Hof Arnhem-Leeuwarden. In geschil is in hoeverre X over het vierde kwartaal 2019 recht heeft op teruggaaf van omzetbelasting gelet op de verruimde sportvrijstelling en het overgangsrecht. Tijdens de zitting treden partijen in overleg over de gevolgen van de verruimde sportvrijstelling en de herziening van de BTW-aftrek voor het stadskantoor, en sluiten zij uiteindelijk een vaststellingsovereenkomst over het vierde kwartaal 2019.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat partijen het materiële geschil beëindigen door een vaststellingsovereenkomst en dat geen aanleiding bestaat daarvan af te wijken. Het hof vernietigt daarom de uitspraak van Rechtbank Gelderland, behoudens de beslissingen over griffierecht en proceskosten, en kent X een teruggaaf van € 33.105 toe, vermeerderd met wettelijke belastingrente. Tevens bevestigt het hof dat X afziet van Irimie-rente en dat de inspecteur het griffierecht en de proceskosten, inclusief die van het hoger beroep, vergoedt.
Wetingang:
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 11
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 15
Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden
Rubriek: Omzetbelasting
Editie: 3 maart
Informatiesoort: VN Vandaag