De Hoge Raad oordeelt dat bij de uitleg van een beleidsregel niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen van die regel, bezien in het licht van de gehele tekst van het beleidsbesluit waarvan hij deel uitmaakt. Ook moet rekening worden gehouden met de kenbare bedoeling van die regel.

Werknemers van gemeente X1 krijgen vaste reiskostenvergoedingen. De vergoedingen waarover het geschil gaat, zijn aanvullende reiskostenvergoedingen waarvoor werknemers de keuze hebben gemaakt na 12 maart 2020. Er is hierover loonheffing bij wijze van eindheffing van X1 geheven. In het Besluit noodmaatregelen coronacrisis (Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 14 april 2020, 2020-0000071409, V-N 2020/19.3) staat een goedkeuring voor het ‘ongewijzigd door laten lopen’ van vaste reiskostenvergoedingen. De vergoeding wordt dan ‘niet tot het loon gerekend’, ook al wordt door de coronamaatregelen niet voldaan aan de wettelijke 128-dageneis. X1 betaalt tijdens de lockdown de vergoedingen door, ook aan werknemers die niet aan deze wettelijke eis voldoen. In geschil is of X1 zich kan beroepen op de goedkeuring. Volgens Hof Amsterdam ziet de goedkeuring slechts op het ongewijzigd door laten lopen van reiskostenvergoedingen die reeds vóór 13 maart 2020 toegekend waren. X1 gaat in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat bij de uitleg van een beleidsregel niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen van die regel, bezien in het licht van de gehele tekst van het beleidsbesluit waarvan hij deel uitmaakt. Ook moet rekening worden gehouden met de kenbare bedoeling van die regel. Zo heeft het hof terecht belang gehecht aan het opschrift “Ongewijzigd doorlopen vaste reiskostenvergoeding”. Er is ook terecht betekenis toegekend aan de strekking van de goedkeuring. Die strekking houdt in dat een tegemoetkoming wordt verleend om te voorkomen dat een werkgever een vaste reiskostenvergoeding moet aanpassen of geheel of gedeeltelijk tot het loon moet rekenen vanwege een verandering van het reispatroon van werknemers. Dit kan zich alleen voordoen als het recht op de vergoeding reeds is toegekend op het moment waarop de hier bedoelde coronamaatregelen van kracht werden (op 13 maart 2020). Het beroep van X1 is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet op de loonbelasting 1964 artikel 31A

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Loonbelasting, Belastingrecht algemeen

Editie: 26 januari

Informatiesoort: VN Vandaag

Dossiers: Corona

107

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen