X BV is het niet eens met de aan haar opgelegde BPM-naheffingsaanslag. Rechtbank Den Haag verlaagt de aanslag op 11 augustus 2022 en veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten van tijdens de bezwaarfase en de beroepsfase beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarnaast moet de inspecteur ook het griffierecht vergoeden en wordt de Minister van Justitie veroordeeld tot het betalen van een ISV vanwege undue delay. Hof Den Haag oordeelt op 26 oktober 2023 dat de BPM-naheffingsaanslag correct is en vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Volgens het hof is er geen aanleiding voor vergoeding van het bij de rechtbank betaalde griffierecht. X BV gaat in cassatie.
De Hoge Raad oordeelt dat X BV recht heeft op vergoeding van het bij de rechtbank betaalde griffierecht. De Hoge Raad verwijst daarbij naar zijn arrest van (31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, V-N 2024/28.22). Met dit arrest komt de Hoge Raad namelijk terug op eerdere rechtspraak over de vergoeding van griffierecht bij undue delay. Aangezien X BV vóór de uitspraak van de rechtbank op 11 augustus 2022, en dus vóór het arrest van 31 mei 2024, heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens undue delay, heeft zij recht op vergoeding van het griffierecht. Er wordt voldaan aan de eisen die de Hoge Raad in zijn arrest heeft opgenomen. Naast het griffierecht voor de beroepsfase (€ 354) heeft X BV ook nog recht op een ISV voor de cassatieprocedure (€ 500), het griffierecht voor het beroep in cassatie (€ 548) en de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het geding in cassatie (€ 1868).
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.74
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 artikel 10
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie artikel 10
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Belastingheffing van motorrijtuigen, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 26 januari
Informatiesoort: VN Vandaag