X woont in 2020 in Nederland. Hij heeft twee kinderen met zijn ex-partner die sinds 2013 in Tsjechië woont. In 2017 sluiten zij een alimentatieovereenkomst waarin X maandelijks CZK 23.850 partneralimentatie en een autokostenbijdrage van maximaal CZK 4.500 per maand toezegt. In 2020 maakt X per bank in totaal CZK 371.392 (€ 14.395) aan partneralimentatie, bijdrage huur en autokostenbijdrage over en claimt hij in zijn aangifte IB/PVV 2020 € 14.395 aftrek onderhoudsverplichtingen. De inspecteur vraagt gegevens over de financiële positie van de ex-partner, ontvangt de Tsjechische aangifte 2016 met een netto belastbaar inkomen van CZK 122.233 en weigert vervolgens de volledige aftrek. In beroep is in geschil of de betalingen aan de ex-partner als uitgaven wegens onderhoudsverplichtingen aftrekbaar zijn en tot welk bedrag.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X aannemelijk maakt dat de betaalde partneralimentatie aan de in Tsjechië wonende ex-partner berust op een dringende morele verplichting. De betalingen kwalificeren als in rechte vorderbare periodieke uitkeringen volgens de alimentatieovereenkomst en X maakt aannemelijk dat een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud van de ex-partner bestaat. De rechtbank beperkt de aftrek tot het overeengekomen bedrag aan partneralimentatie van CZK 23.850 per maand, in totaal CZK 286.200 (€ 11.093), en vermindert de aanslag 2020 dienovereenkomstig. X' beroep is gegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 6.3
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Inkomstenbelasting
Informatiesoort: VN Vandaag
Editie: 26 maart