Rechtbank Den Haag oordeelt dat bij de uitleg van art. 30g lid 4 AWR de duidelijke wettekst voorrang heeft boven een onzekere parlementaire toelichting, zodat X geen belastingrente verschuldigd is over de voorlopige aanslag erfbelasting.

Erflaatster overlijdt in 2023 en laat X en haar zuster als erfgenamen na. De inspecteur nodigt X uit om uiterlijk 13 januari 2024 aangifte erfbelasting te doen. De gemachtigde van X verzoekt op 26 januari 2024 schriftelijk om een voorlopige aanslag naar een vermoedelijke belastingschuld van € 1.339.945. De inspecteur ontvangt dit verzoek op 31 januari 2024 en legt op 21 februari 2024 een voorlopige aanslag erfbelasting op van € 249.541, met een in rekening gebrachte belastingrente van € 4211. In geschil is of het verzoek van X om een voorlopige aanslag erfbelasting tijdig is zodat art. 30g lid 4 AWR belastingrente uitsluit.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de tekst van art. 30g lid 4 AWR duidelijk bepaalt dat het verzoek vóór de eerste dag van de negende maand na de maand van overlijden moet binnenkomen. De rechtbank acht de parlementaire toelichting niet dwingend voor een andere uitleg en ziet geen reden van de wettekst af te wijken. Omdat het verzoek van X binnen deze termijn bij de inspecteur binnenkomt, voldoet X aan de voorwaarde voor uitsluiting van belastingrente. De beschikking belastingrente houdt daarom geen stand. De rechtbank verklaart het beroep gegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 30G

Instantie: Rechtbank Den Haag

Rubriek: Schenk- en erfbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 8 april

Informatiesoort: VN Vandaag

Uitsluiting Nieuwsbrief: Uitsluiting Nieuwsbrief

13

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen