Rechtbank Den Haag oordeelt dat bij de uitleg van art. 30g lid 4 AWR de duidelijke wettekst prevaleert boven een onzekere parlementaire toelichting, zodat X geen belastingrente verschuldigd is.

X erft samen met haar zuster Y uit de nalatenschap van erflaatster. De inspecteur nodigt X uit om erfbelasting aan te geven en stelt een termijn. De gemachtigde van X verzoekt daarna schriftelijk om een voorlopige aanslag en vermeldt een vermoedelijk belastbaar bedrag van € 1.339.945. De inspecteur ontvangt dit verzoek eind januari 2024. Vervolgens legt de inspecteur een voorlopige aanslag erfbelasting op van € 249.541 en brengt daarbij € 4211 belastingrente in rekening. In geschil is of de inspecteur terecht belastingrente in rekening brengt gezien de uitleg van de termijn in art. 30g lid 4 AWR.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de bewoordingen van art. 30g lid 4 AWR duidelijk zijn en zelfstandig bepalen dat de inspecteur het verzoek vóór de eerste dag van de negende maand na de overlijdensmaand heeft ontvangen. De rechtbank ziet daarom geen reden de parlementaire toelichting te volgen, omdat de aangehaalde passage geen dwingende andersluidende uitleg geeft. Omdat het verzoek van X vóór die datum is binnengekomen, voldoet zij aan de wettelijke termijn en brengt de inspecteur ten onrechte belastingrente in rekening.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 30G

Successiewet 1956 artikel 45

Instantie: Rechtbank Den Haag

Rubriek: Schenk- en erfbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 6 april

Informatiesoort: VN Vandaag

Focus: Focus

120

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen