X stelt in twee belastingzaken (nummers 24/00705 en 24/00708) beroep in cassatie in. Nadat op 25 september 2025 is meegedeeld welke raadsheren op 3 oktober 2025 arrest zullen wijzen, verzoekt X op 2 oktober 2025 om wraking van twee van de drie raadsheren. Dit wrakingsverzoek wordt ingeschreven onder nummer 25/03569. Later probeert X ook de leden van de wrakingskamer zelf te wraken, maar dat verzoek wordt buiten behandeling gesteld. De Hoge Raad bepaalt daarbij tevens dat verdere wrakingsverzoeken in de zaken met nummers 24/00705, 24/00708 en 25/03569 niet in behandeling worden genomen (HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1974, V-N 2026/2.35.6). X verschijnt niet op de zitting over het onderhavige wrakingsverzoek omdat deze “onwettig” zou zijn.
De Hoge Raad wijst het wrakingsverzoek af. Vooropgesteld wordt dat rechters uit hoofde van hun aanstelling als onpartijdig worden verondersteld, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid opleveren. Het enkele feit dat de betrokken raadsheren eerder in een andere zaak van X een beslissing hebben genomen, vormt geen grond voor wraking. Nu X geen aanvullende omstandigheden heeft aangevoerd, wordt het verzoek afgewezen.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.15
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.18
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 30 maart
Informatiesoort: VN Vandaag