X bezit samen met zijn echtgenote een eigen woning, gefinancierd met een annuïtaire banklening van € 1.500.000 met een looptijd van 360 maanden. X is enig aandeelhouder en bestuurder van X BV. In 2019 en 2020 sluit X bij X BV twee leningen van telkens € 300.000 met een looptijd van 30 jaar, bestemd voor aflossing van de banklening. De bankschuld daalt van € 1.065.419 eind 2018 naar € 399.060 eind 2020. In januari 2022 lost X de leningen bij X BV volledig af via een dividenduitkering. De inspecteur corrigeert de aangegeven eigenwoningrente in 2019 en 2020. In geschil is of de twee leningen bij X BV kwalificeren als eigenwoningschuld zodat X de rente mag aftrekken.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat de leningen een eigenwoningschuld vormen. De leningen bij X BV zetten de banklening feitelijk voort, maar X spreekt opnieuw een looptijd van 360 maanden af en baseert de annuïteit daarop, zonder rekening te houden met de reeds verstreken looptijd. Daarmee overschrijdt X de 360-maandseis in de wet. De contractuele verplichting is beslissend, zodat de vervroegde aflossing in 2022 geen invloed heeft. De inspecteur weigert daarom terecht de renteaftrek en de navorderingsaanslag 2019 en aanslag 2020 blijven in stand.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.110
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.119A
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.119C
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.119G
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.120
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 23 februari
Informatiesoort: VN Vandaag