Rechtbank Midden-Nederland oordeelt dat de heffingsambtenaar de vastgestelde WOZ-waarde onvoldoende onderbouwt tegenover het verkoopcijfer van de woning van X.

X is eigenaar van een in 1931 gebouwde twee-onder-een-kapwoning met een gebruiksoppervlakte van 142 m² op een perceel van 269 m². De heffingsambtenaar stelt voor het belastingjaar 2023 de WOZ-waarde vast op € 844.000 naar de waardepeildatum 1 januari 2022. X verkoopt de woning op 22 november 2023 voor € 845.000. Ter onderbouwing vergelijkt de heffingsambtenaar de woning met drie transacties in 2021 in dezelfde plaats, variërend van € 821.640 tot € 1.150.000, met betere voorzieningen of onderhoud. X voert aan dat zijn verkoopprijs en de marktontwikkeling niet stroken met de vastgestelde waarde en indexeert zijn verkoopprijs met marktgegevens uit Utrecht. De heffingsambtenaar stelt dat de inrichting van de woning de verkoopprijs drukt. In geschil is of de heffingsambtenaar de WOZ-waarde voldoende aannemelijk maakt, mede gezien het eigen verkoopcijfer van X.

Rechtbank Midden-Nederland acht de WOZ-waarde onvoldoende onderbouwd, nu het verschil van € 1000 tussen de waardepeildatum en de latere verkoopprijs onverklaard blijft ondanks een lichte marktstijging. Het argument over smaakgevoelige inrichting overtuigt niet. X maakt zijn voorgestane waarde van € 790.000 evenmin aannemelijk door gebrek aan nauwkeurige onderbouwing van de indexering. De rechtbank stelt de waarde schattenderwijs vast op € 810.000, verlaagt de aanslag, en kent een proceskostenvergoeding van € 2.471,69 en het griffierecht van € 51 toe.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet waardering onroerende zaken artikel 17

Wet waardering onroerende zaken artikel 30A

Instantie: Rechtbank Midden-Nederland

Rubriek: Waardering onroerende zaken

Editie: 5 januari

Informatiesoort: VN Vandaag

26

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen