X heeft in een BPM-zaak recht op hogere proceskostenvergoedingen. Dit volgt uit het tussenarrest van HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:92. Voor de aan X toekomende proceskostenvergoeding acht de Hoge Raad nader feitenonderzoek noodzakelijk. X wordt daarom in het kader van de Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en BPM in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op dit punt op hem rustende bewijslast (zie HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, V-N 2025/5.27). X betoogt alleen dat de Hoge Raad met zijn arrest van 17 januari 2025 het EU-recht schendt.
De Hoge Raad oordeelt dat X geen nadere gegevens heeft verstrekt ter voldoening aan de op hem rustende last om te bewijzen dat zijn geval is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in r.o. 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. De vergoeding van de proceskosten in cassatie wordt dus berekend conform art. 19a Wet BPM 1992, zijnde drie proceshandelingen (beroepschrift in cassatie, conclusie van repliek en schriftelijke inlichtingen met nadere gegevens) met factor 1 en factor 0,10 omdat de bestreden besluiten (naheffingsaanslag en beschikking belastingrente) niet zijn vernietigd of gewijzigd. Dit komt neer op € 421.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.75
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 artikel 19A
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 13 april
Informatiesoort: VN Vandaag