Hof Amsterdam oordeelt dat gemeente X zich voor de in geschil zijnde reiskostenvergoedingen niet kan beroepen op de goedkeuring uit het Besluit noodmaatregelen coronacrisis. De verschuldigde afdracht eindheffing blijft in stand. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).

Werknemers van gemeente X hebben recht op een individueel keuzebudget (IKB). Zij kunnen dit besteden aan bepaalde doelen, waaronder een aanvullende reiskostenvergoeding. In het Besluit noodmaatregelen coronacrisis (Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 14 april 2020, Stcrt. 2020, 22293) is een goedkeuring opgenomen voor het “ongewijzigd door laten lopen” van vaste reiskostenvergoedingen. De toegekende vaste reiskostenvergoeding wordt dan niet tot het loon gerekend, ook al wordt als gevolg van de coronamaatregelen niet voldaan aan de wettelijke eis van art. 31a lid 2 Wet LB 1964. De gemeente X betaalt gedurende de lockdown de aanvullende reiskostenvergoeding door, ook aan werknemers die niet aan het wettelijke vereiste voldoen. De gemeente X beroept zich daarbij op het besluit en op algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In geschil is of gemeente X aan de goedkeuring opgenomen in het Besluit noodmaatregelen coronacrisis, dan wel in de daaropvolgende besluiten een gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen waardoor over de onderhavige reiskostenvergoedingen geen loonheffing is verschuldigd.

Hof Amsterdam (V-N 2024/35.1.3) oordeelt dat gemeente X zich voor de in geschil zijnde reiskostenvergoedingen niet kan beroepen op de goedkeuring uit het Besluit noodmaatregelen coronacrisis. De goedkeuring ziet op het ongewijzigd door laten lopen van vaste reiskostenvergoedingen die reeds vóór 13 maart 2020 toegekend waren, en gemeente X kan op grond van het besluit niet redelijkerwijs menen dat ná die datum toegekende reiskostenvergoedingen ook onder de goedkeuring vielen. De omstandigheid dat de werknemers ook voor die datum een onvoorwaardelijk recht op IKB hadden, maakt dit niet anders. Ook in situaties waarin recht op IKB bestaat, dient loonheffing te worden afgedragen over na de datum aan werknemers toegekende vaste reiskostenvergoedingen. Van strijd met algemene beginselen is geen sprake. De verschuldigde afdracht eindheffing blijft in stand. Het hoger beroep is ongegrond.

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO). (Na conclusie van A-G Pauwels in V-N 2025/16.10)

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 artikel 10EA

Wet op de loonbelasting 1964 artikel 31A

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Loonbelasting

Editie: 28 januari

Informatiesoort: VN Vandaag

15

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen