In een door het Ministerie van Financiën en de Belastingdienst uitgevoerde evaluatie doen zij de aanbeveling om de hoogte van de jaarlijkse ouder-kindschenkvrijstelling te heroverwegen en de hoogte in samenhang met de andere schenkvrijstellingen te bezien. De Staatssecretaris van Financiën heeft het evaluatierapport aan de Tweede Kamer gestuurd.

In de evaluatie is onderzocht in hoeverre de in 1917 door de wetgever genoemde doelstellingen worden bereikt met de huidige vrijstelling. De twee doelstellingen uit 1917 zien op de maatschappelijke onwenselijkheid om kleine schenkingen van ouders aan kinderen te belasten en om de uit de wettelijke onderhoudsplicht voortvloeiende schenkingen niet te belasten. Omdat uitgaven voor levensonderhoud van kinderen onder de 21 jaar sinds 1981 niet meer worden belast, is de maatregel in zoverre niet meer doeltreffend. Aangezien de wetgever de hoogte van de vrijstelling niet heeft onderbouwd, is doelmatigheid lastig te beoordelen. In ieder geval is de vrijstelling doelmatig ten aanzien van de verwachtingswaarde, omdat schenkingen boven de vrijstelling onder lagere tariefschijven vallen. Verder is opvallend dat de uitkomsten suggereren dat burgers de werking van de vrijstelling over het algemeen kennen, terwijl de aangifteplicht niet altijd goed wordt nageleefd.

De schenkbelasting kent een jaarlijkse vrijstelling van € 2769 (bedrag 2026). Schenkingen van ouders aan hun kinderen genieten een hogere jaarlijkse vrijstelling van € 6908 (bedrag 2026). De hogere schenkvrijstelling voor kinderen ten opzichte de vrijstelling zoals die voor andere verkrijgers geldt is voor het eerst geëvalueerd.

Wetingang:

Successiewet 1956 artikel 33

[Nieuwsbron] [Nieuwsbron] [Nieuwsbron] [Nieuwsbron]

Rubriek: Schenk- en erfbelasting

Editie: 4 maart

Informatiesoort: VN Vandaag

21

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen