TUI Belgium NV verkoopt in eigen naam vakantiereizen waarvoor zij een beroep doet op de diensten van derden, waaronder hotels en luchtvaartmaatschappijen. TUI vraagt de Belgische fiscus om teruggaaf van de BTW over de jaren 2004-2014 die is geheven over door haar verrichte diensten met betrekking tot reizen buiten de EU. TUI beroept zich er daarbij op dat deze diensten, door een wetswijziging, sinds 1 januari 2000 voor de BTW zijn vrijgesteld. Dit verzoek wordt afgewezen. De Belgische rechter vraagt zich af of voor de toepassing van de stand-stillbepaling van art. 28 lid 3 Zesde BTW-richtlijn een uitdrukkelijke wettelijke bepaling is vereist waarmee wordt afgeweken van de BTW-vrijstelling van reisbureaus voor reisdiensten buiten de EU in art. 26 lid 3 Zesde BTW-richtlijn (thans art. 309 BTW-richtlijn). De Belgische rechter wendt zich daartoe tot het Hof van Justitie en stelt prejudiciële vragen in deze zaak. Het Hof van Justitie EU heeft de zaak doorgezonden naar het Gerecht.
Het Gerecht oordeelt dat voor de toepassing van de stand-stillbepaling niet is vereist dat België expliciet moet voorzien in de in art. 26 lid 3 Zesde BTW-richtlijn bedoelde afwijking van de BTW-vrijstelling voor diensten van reisbureaus met betrekking tot reizen buiten de EU. Het Gerecht overweegt daarbij dat de situatie in België er niet toe leidt dat geen sprake is van een wetgeving die niet op de voornaamste punten identiek is aan de vroegere wetgeving en van een andere hoofdgedachte uitgaat.
Wetingang:
Instantie: Gerecht van de Europese Unie
Rubriek: Europees belastingrecht, Omzetbelasting
Editie: 27 maart
Informatiesoort: VN Vandaag