X is enig aandeelhouder van twee BV's en bestuurder van Pensioenstichting A. Vlak voor de emigratie van X in december 2009 draagt één van de BV's de pensioenverplichting jegens X en zijn echtgenote over aan Pensioenstichting A. De BV blijft het grootste deel (€ 2.922.030) van de koopsom schuldig. Daarnaast heeft de andere BV een vordering op X, die in 2009 volgens de jaarrekening met ruim € 5,2 mln. is toegenomen. In maart 2019 keert X terug naar Nederland. In geschil is of de pensioenaanspraak in 2009 feitelijk voorwerp van zekerheid is geworden en terecht is belast als loon uit vroegere dienstbetrekking. Ook is in geschil of een winstuitdeling van € 1,7 mln. heeft plaatsgevonden.
Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard omdat X de winstuitdeling niet in zijn IB-aangifte heeft verantwoord. Uit de door X verstrekte stukken blijkt niet dat er voor een bedrag van € 1,7 mln. een terugbetalingsverplichting was. Zowel de BV als X zijn zich ervan bewust geweest dat X als aandeelhouder is bevoordeeld. Verder oordeelt de rechtbank dat de pensioenaanspraak ten onrechte in de heffing is betrokken. Het overdragen en deels schuldig blijven van de koopsom door de BV zijn geen handelingen die ertoe leiden dat de pensioenaanspraak feitelijk voorwerp van zekerheid is geworden. De reële koopsom was gelijk aan het nominale bedrag van de pensioenverplichting en is bij de overdracht deels voldaan. Ten tijde van de pensioenoverdracht werd de vordering van Pensioenstichting A op de BV voldoende gedekt door eigen vermogen. Het beroep is gegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.81
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.12
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 19B
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 27E
Instantie: Rechtbank Noord-Holland
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht, Loonbelasting
Editie: 5 maart
Informatiesoort: VN Vandaag