X BV verleent administratieve en fiscale diensten en verricht tevens van omzetbelasting vrijgestelde prestaties. De DGA houdt middellijk alle aandelen via holding Y BV en verzorgt de administratie en aangiften OB. Na een verzoek om teruggaaf omzetbelasting van Y BV selecteert de Belastingdienst de aangifte via het risicoselectiemodel OB Negatief en start een boekenonderzoek over 2018 tot en met 2022 bij zowel X BV als Y BV. De inspecteur legt uiteindelijk naheffingsaanslagen OB 2018–2022 op met vergrijpboetes over 2019–2022 en belastingrente. Na bezwaar verlaagt de inspecteur de aanslag 2018 en handhaaft hij de overige aanslagen en beschikkingen. X BV gaat in beroep.
Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inspecteur het risicoselectiemodel OB Negatief op basis van een toereikende wettelijke grondslag inzet en menselijke tussenkomst bij de selectie en besluitvorming waarborgt, zodat geen strijd met AVG of andere normen ontstaat. X BV toont geen concrete aanwijzingen voor discriminatie, onrechtmatig binnentreden, schending van art. 8:42 Awb of ongeldigheid van het onderzoek na ontbinding van X BV. De rechtbank acht de op de auditfiles gebaseerde omzetcorrecties cijfermatig voldoende onderbouwd. De vergrijpboetes zijn daarnaast passend en geboden. De inspecteur bewijst dat sprake is van grove schuld. Het beroep is ongegrond.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.42
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 67F
Instantie: Rechtbank Den Haag
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Omzetbelasting
Editie: 25 maart
Informatiesoort: VN Vandaag