X is houder van een Rolls-Royce waarvan de tenaamstelling bij de RDW is geschorst. Tijdens deze schorsing registreert de politie met camerabeelden dat het voertuig toch op de openbare weg wordt gebruikt. De inspecteur legt daarop een naheffingsaanslag MRB van € 1656 en een verzuimboete op. X stelt dat het bewijs onrechtmatig is verkregen en beroept zich op art. 8 EVRM en het Unierecht. Rechtbank Den Haag oordeelt dat de camerabeelden rechtmatig zijn gebruikt, omdat voor de naheffing uitsluitend de constatering van het weggebruik relevant is en hiervoor een wettelijke expliciete bevoegdheid bestaat.
Hof Den Haag oordeelt dat de toepassing van de wettelijke bevoegdheid om de camerabeelden van de politie te gebruiken niet in strijd is met art. 8 EVRM. Dit artikel staat naheffing niet in de weg omdat de inspecteur de beelden kortstondig bewaart en uitsluitend gebruikt voor het doel van belastinghandhaving en controle. Het Unierecht mist toepassing omdat de situatie zuiver nationaal is, namelijk een ingezetene die met een langdurig in Nederland geregistreerde auto van de Nederlandse weg gebruikmaakt. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).
Wetingang:
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 artikel 35
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 8
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966
Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 artikel 29A
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Belastingheffing van motorrijtuigen
Editie: 3 februari
Informatiesoort: VN Vandaag