Tussen X en Y bestaat een geschil over de notariële levering van een appartement in het buitenland. De kantonrechter stelt in een bodemprocedure vast dat de afspraken tussen X en Y over het appartement moeten worden gekwalificeerd als huurkoop. Bij vonnis van 22 oktober 2025 wordt X in kort geding opnieuw veroordeeld om alle medewerking te verlenen aan de notariële levering. X vordert vervolgens in kort geding dat Y de tenuitvoerlegging van het vonnis van 22 oktober 2025 staakt.
Rechtbank Oost-Brabant wijst het verzoek van X tot voorlopige schorsing van de tenuitvoerlegging af bij gebrek aan belang. X wordt veroordeeld tot vergoeding van de volledige proceskosten wegens misbruik van procesrecht. De rechtbank overweegt dat X zijn stellingen en vorderingen baseert op feiten waarvan hij wist dat die onjuist zijn. X voert in feite dezelfde inhoudelijke discussie, waarop al onherroepelijk is beslist, nogmaals. Ook het feit dat X zijn processtukken naar eigen zeggen heeft opgesteld met behulp van een AI-instrument en, belangrijker nog, dat die processtukken verschillende onbegrijpelijke verwijzingen naar wetsartikelen en juridische onjuistheden bevatten, draagt bij aan misbruik van procesrecht.
Wetingang:
Burgerlijk Wetboek Boek 3 artikel 13
Burgerlijk Wetboek Boek 3 artikel 15
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.75
Instantie: Rechtbank Oost-Brabant
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 14 januari
Informatiesoort: VN Vandaag