A is directeur en enig aandeelhouder van X BV. X BV houdt 55% van de aandelen in Y BV, dat een administratiekantoor voert. A ontvangt via X BV over 2021, 2022 en 2023 respectievelijk € 80.500, € 81.000 en € 81.000 aan loon. Het loon van medebestuurder B bedraagt over dezelfde periode respectievelijk € 93.838, € 96.425 en € 96.246. De inspecteur stelt na een boekenonderzoek het gebruikelijk loon van A vast op het loon van B en legt naheffingsaanslagen met verzuimboetes en belastingrente op. X BV gaat in beroep.
Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inspecteur terecht uitgaat van het hogere loon van B bij Y BV. X BV maakt niet aannemelijk wat het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking is, mede in het licht van de jarenlange werkervaring, verantwoordelijkheden en werkuren van A. Het loon van B kan wegens diens aanmerkelijk belang niet dienen om het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking te bepalen. De naheffingsaanslagen zijn juist vastgesteld en de verzuimboetes zijn passend en geboden, omdat X BV geen pleitbaar standpunt heeft en van afwezigheid van alle schuld ook geen sprake is. De beroepen van X BV zijn ongegrond.
Wetingang:
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 12A
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 67C
Instantie: Rechtbank Den Haag
Rubriek: Loonbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 26 februari
Informatiesoort: VN Vandaag