Hof Den Haag oordeelt dat uitbetaling van het door de inspecteur vastgestelde gebruikelijk loon tot een direct gevaar voor de continuïteit van de onderneming zou leiden.

X BV handelt in sloopgoud en exploiteert een juwelierswinkel. Alle aandelen in X BV zijn in handen van haar enige werknemer A. Aan X BV is over het jaar 2022 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd, waarin ten aanzien van A een gebruikelijk loon van € 48.000 in aanmerking is genomen. Na bezwaar heeft de inspecteur het gebruikelijk loon verminderd naar € 25.000. X BV gaat in beroep. Rechtbank Den Haag heeft het gebruikelijk loon wegens gevaar voor de continuïteit van de onderneming verder verlaagd naar € 7500. De inspecteur komt in hoger beroep. Ook in hoger beroep is in geschil of en in welke mate de financieel-economische toestand van de onderneming tot verlaging van het in aanmerking te nemen loon moet leiden.

Hof Den Haag oordeelt dat uitbetaling van het door de inspecteur vastgestelde gebruikelijk loon tot een direct gevaar voor de continuïteit van de onderneming zou leiden. De rechtbank heeft het gebruikelijk loon terecht gesteld op € 7500. Het hof acht aannemelijk dat het opgebouwde eigen vermogen (inclusief eenmalige coronasteun) nodig was om de voortzetting en eventuele uitbreiding van de exploitatie van de onderneming mogelijk te maken. Uitbetaling van het door de inspecteur vastgestelde loon zou tot een direct gevaar voor de continuïteit van de onderneming leiden, omdat X BV dan bedrijfsmiddelen en/of voorraden zou moeten verkopen om aan haar verplichtingen te voldoen. Dat alleen dient te worden beoordeeld of er voldoende liquiditeiten aanwezig zijn om de loonheffing af te dragen, is in strijd met de wetsgeschiedenis. Hoewel feiten en omstandigheden na 31 december 2022 voor de toepassing van art. 12a Wet LB 1964 in beginsel geen rol spelen, mag de inspecteur bij de beslissing of een naheffingsaanslag moet worden opgelegd of de wijze waarop een bezwaarschrift wordt afgehandeld na 31 december 2022 niet voorbijgaan aan de dan gebleken verliesgevendheid van de onderneming. Het hoger beroep van de inspecteur is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet op de loonbelasting 1964 artikel 12A

Instantie: Hof Den Haag

Rubriek: Loonbelasting

Editie: 9 januari

Informatiesoort: VN Vandaag

Focus: Focus

1049

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen