X houdt vanaf 2010 alle aandelen in X BV en is bestuurder. X BV heeft via deelnemingen belangen in vennootschappen die online kansspelen organiseren. De inspecteur stelt dat X in 2010‑2012 inkomsten via betaaldienstverlener Y BV ontving en niet opgaf; X voert aan dat deze deels privétransacties betreffen, zoals retouren van kleding en boeken, en deels op naam van zijn echtgenote staan. Voor 2017 en 2018 stelt de inspecteur dat X gebruikelijk loon moet opnemen als enig aandeelhouder en bestuurder van X BV, die deelnemingen met substantiële resultaten bezit. X betoogt dat hij door lopende strafzaken geen werkzaamheden verrichtte. Belanghebbende maakt bezwaar en beroep tegen de opgelegde aanslagen.
In geschil is of de correcties over 2010‑2012 en het hogere gebruikelijk loon over 2017‑2018 terecht zijn.
De rechtbank oordeelt dat het voor bepaalde betalingen via Y BV over 2010‑2012 niet aannemelijk is dat sprake is van belastbaar inkomen, zodat de aanslagen 2011 en 2012 worden verminderd. Andere betalingen houden wel verband met werkzaamheden, zodat die correcties blijven. Voor 2017 en 2018 acht de rechtbank het aannemelijk dat X werkzaamheden verricht voor X BV, zodat de fictiefloonregeling geldt. De looncorrecties blijven in stand, omdat X de hoogte daarvan niet heeft betwist. De beroepen zijn deels gegrond; de inspecteur moet de aanslagen 2011 en 2012 verlagen, het griffierecht en proceskosten vergoeden.
Wetingang:
Wet op de loonbelasting 1964 artikel 12A
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Loonbelasting, Inkomstenbelasting
Editie: 13 januari
Informatiesoort: VN Vandaag