X woont in 2017 in Nederland en werkt bij X NV. Na een reorganisatie eindigt de arbeidsovereenkomst met X NV met wederzijds goedvinden en X ontvangt een ontslagvergoeding. In de laatste maanden van dit dienstverband werkt X via X NV voor de 100% dochter Y NV in Luxemburg. Daarna sluit X een tijdelijke arbeidsovereenkomst met Y NV, die eindigt in 2018, waarna X een uitkering van het UWV ontvangt. X doet aangifte IB/PVV 2017 en verzoekt aftrek elders belast inkomen voor loon en ontslagvergoeding. In 2021 start X een civiele procedure; de kantonrechter beslist dat de arbeidsovereenkomst met X NV rechtsgeldig eindigt en dat geen voortgezet dienstverband of opvolgend werkgeverschap met Y NV bestaat. In geschil is of X recht heeft op een hogere aftrek elders belast inkomen, of de aanslag tijdig en rechtsgeldig is opgelegd en of de belastingrente juist is berekend.
Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat de civielrechtelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst met X NV bepalend is en dat de latere tijdelijke arbeidsovereenkomst met Y NV geen voortgezet dienstverband of opvolgend werkgeverschap vormt. X toont geen geïndividualiseerde doorbelasting van salariskosten aan, zodat Y NV geen materiële werkgever is; Nederland mag het loon bij X NV en de ontslagvergoeding volledig belasten. Daarom beperkt de aftrek elders belast inkomen zich tot het door Y NV betaalde loon. Verder oordeelt het hof dat de aanslag tijdig en voldoende bekend is gemaakt en dat de belastingrente conform art. 30fc AWR terecht is berekend.
Wetingang:
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Internationaal belastingrecht
Editie: 17 februari
Informatiesoort: VN Vandaag