Rechtbank Den Haag oordeelt dat X BV geen recht heeft op aftrek van voorbelasting op rechtsbijstandfacturen, omdat zij niet inzichtelijk maakt welk deel van de werkzaamheden haar onderneming betreft.

X BV exploiteert volgens het handelsregister een verhuur- en aannemingsbedrijf, cultuurtechniek, grondverzet, een agrarisch bedrijf en een uitzendonderneming. Z is 100% aandeelhouder en bestuurder van X BV. X BV dient over het tweede kwartaal 2021 een aangifte omzetbelasting in en verzoekt om teruggaaf van € 5.040 aan voorbelasting. De voorbelasting ziet op twee facturen van een rechtsbijstandsverlener. De facturen houden verband met omvangrijke rechtsbijstand in procedures rond Z. De inspecteur legt een naheffingsaanslag omzetbelasting van € 5.040 op. X BV gaat in bezwaar en in beroep.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat X BV niet aannemelijk maakt dat zij recht heeft op aftrek van de op de facturen vermelde omzetbelasting. De inspecteur voert gemotiveerd aan dat de rechtsbijstand hoofdzakelijk ziet op strafrechtelijke, civielrechtelijke en fiscale kwesties van Z en niet op de ondernemingsactiviteiten van X BV. X BV specificeert niet welke werkzaamheden haar onderneming betreffen en licht betaling en verrekening van de facturen niet toe. De rechtbank verwijst naar art. 15 Wet OB 1968 over de bewijslast en ziet geen grond voor verwijzing of prejudiciële vragen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 15

Instantie: Rechtbank Den Haag

Rubriek: Omzetbelasting

Editie: 1 april

Informatiesoort: VN Vandaag

13

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen