X doet BPM-aangifte voor een gebruikte auto met schade. Na hertaxatie door Domeinen stelt de inspecteur dat er uitsluitend normale gebruikssporen zijn. In geschil is de naheffing van € 5229. Volgens Hof ’s-Hertogenbosch heeft de auto geen echte schade. De proceskostenvergoeding van € 541 (2 punten voor indienen beroepschrift en verschijnen ter zitting, wegingsfactor 0,5 en een waarde per punt van € 541) die de rechtbank aan X heeft toegekend, wordt verlaagd tot € 218,75 (1 punt, wegingsfactor 0,25 en een waarde per punt van € 875. X gaat in cassatie.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof bij het – met inachtneming van de juiste waarde per punt – opnieuw vaststellen van de vergoeding, die vergoeding niet in het nadeel van X mocht wijzigen door ambtshalve de wegingsfactor te verlagen en het in aanmerking te nemen aantal proceshandelingen te verminderen. Het beroep van X is gegrond. De vergoeding wordt verhoogd tot € 934, uitgaande van twee punten, wegingsfactor 0,5 en berekend naar de waarde per punt zoals deze ten tijde van het wijzen van dit arrest geldt. Op 26 september 2025 is ten aanzien van het bedrijfsmodel van de onderhavige gemachtigde reeds geoordeeld dat deze niet het kenmerk heeft van optreden op basis van no cure no pay (zie V-N 2025/42.12), zodat de toe te kennen cassatieproceskosten niet onder de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en BPM valt.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.75
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 artikel 10
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Belastingheffing van motorrijtuigen, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 26 januari
Informatiesoort: VN Vandaag