De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet vrijstond om bij het opnieuw vaststellen van de procesvergoeding in eerste aanleg – met inachtneming van de juiste waarde per procespunt – die vergoeding in het nadeel van X te wijzigen door ambtshalve de door de rechtbank vastgestelde wegingsfactor te halveren.

X krijgt van Rechtbank Noord-Nederland voor een BPM-zaak een proceskostenvergoeding van € 1082 (2 procespunten, wegingsfactor 1 en een waarde per punt van € 541). Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden is ten onrechte een verlaagde vergoeding toegekend (zie HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752, V-N 2022/24.13), zodat hiervoor alsnog de huidige puntwaarde van € 875 moet worden gehanteerd. Voor de zaak in eerste aanleg en het hoger beroep krijgt X een totale proceskostenvergoeding van € 1750. Hierbij is steeds wegingsfactor 0,5 toegepast. X gaat in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet vrijstond om bij het opnieuw vaststellen van de procesvergoeding in eerste aanleg – met inachtneming van de juiste waarde per punt – die vergoeding in het nadeel van X te wijzigen door ambtshalve de door de rechtbank vastgestelde wegingsfactor te halveren. Voor de zaak in eerste aanleg krijgt X daarom een proceskostenvergoeding van € 1868. Voor het bepalen van de proceskosten in cassatie is nader feitenonderzoek nodig, zie HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, V-N 2025/5.27. X wordt in de gelegenheid gesteld om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op hem rustende bewijslast dat sprake is van een bijzonder geval. De zaak wordt geschorst.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet bestuursrecht artikel 7.4

Algemene wet bestuursrecht artikel 8.75

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 6

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 2 maart

Informatiesoort: VN Vandaag

11

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen