X ontvangt een beschikking van Dienst Toeslagen van 28 oktober 2024 over de herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. X dient op 6 mei 2025 bezwaar in. Dienst Toeslagen vraagt X op 16 mei 2025 om de reden van het te laat indienen van het bezwaar en kondigt uitstel van de behandeling aan. X mailt op 3 juni 2025 haar redenen. Omdat vervolgens geen beslissing volgt, stelt X Dienst Toeslagen op 11 september 2025 in gebreke en stelt zij op 29 september 2025 beroep in wegens niet tijdig beslissen.
In geschil is of de wettelijke beslistermijn voor het bezwaar van X is opgeschort door het verzoek om motivering van het te laat ingediende bezwaar.
Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de wettelijke beslistermijn op grond van art. 7:10 Awb op 6 mei 2025 is begonnen en na twaalf weken afliep op 29 juli 2025. Het verzoek om een reden voor de te late indiening van het bezwaar vormt geen herstelbaar verzuim in de zin van art. 6:6 Awb. Dienst Toeslagen kon art. 7:10 lid 2 Awb daarom niet analoog toepassen en de beslistermijn niet opschorten. De ingebrekestelling van X is geldig, zodat het beroep wegens niet tijdig beslissen slaagt. De rechtbank bepaalt een nadere beslistermijn van 60 weken met dwangsommen.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.12
Algemene wet bestuursrecht artikel 7.10
Algemene wet bestuursrecht artikel 7.10
Algemene wet bestuursrecht artikel 7.10
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.6
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.55D
Algemene wet bestuursrecht artikel 4.17
Instantie: Rechtbank Noord-Holland
Rubriek: Toeslagen en zorgverzekeringswet, Fiscaal bestuurs(proces)recht, Belastingrecht algemeen
Editie: 18 februari
Informatiesoort: VN Vandaag