Hof Amsterdam oordeelt dat de gemachtigde van X niet op basis van no cure no pay werkt, waardoor sprake is van een bijzonder geval. De proceskostenvergoeding in hoger beroep wordt berekend zonder toepassing van art. 30a lid 2 Wet WOZ.

X is eigenaar van een woning met een opstal van 85 m2 en een kavel van 244 m². De heffingsambtenaar stelt voor 2022 de WOZ-waarde vast op € 413.000 en handhaaft die waarde na bezwaar. De rechtbank handhaaft de waarde, kent een proceskostenvergoeding toe van € 218,75 en een vergoeding van immateriële schade van € 500. De heffingsambtenaar onderbouwt de WOZ-waarde met een taxatierapport waarin gegevens staan van drie referentieobjecten. De gemachtigde van X brengt sinds 1 januari 2024 per procedure vaste bedragen van enkele honderden euro’s in rekening, ongeacht de uitkomst van de procedure. In geschil is de berekende WOZ-waarde en de vraag of sprake is van een bijzonder geval waardoor de beperkingen in de proceskostenvergoedingen van de WHpkv niet van toepassing zijn (V-N 2025/5.27).

Hof Amsterdam oordeelt dat geen van beide partijen de verdedigde waarde aannemelijk maakt en stelt de WOZ-waarde in goede justitie vast op € 375.000. Doordat de gemachtigde sinds 1 januari 2024 aanzienlijke vaste bedragen per procedure rekent, lopen cliënten financieel risico en is geen sprake van rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay (ECLI:NL:HR:2025:1383, FED 2025/109). De omstandigheid dat in deze zaak nog wordt geprocedeerd op basis van no cure no pay, maakt dit niet anders. De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op € 5186,26.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet waardering onroerende zaken artikel 17

Wet waardering onroerende zaken artikel 30A

Instantie: Hof Amsterdam

Rubriek: Waardering onroerende zaken, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 26 januari

Informatiesoort: VN Vandaag

15

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen