Rechtbank Den Haag oordeelt dat de activiteiten van X in 2020 op het gebied van beleggingen en keramiek/kunst geen bron van inkomen vormen, zodat het negatieve resultaat uit overige werkzaamheden niet aftrekbaar is, terwijl de toepassing van het Besluit pensioenen Internationale Organisaties wel tot vermindering van de aanslag leidt.

X woont in 2020 in Nederland. X treedt in 1990 in dienst bij het Europees Octrooibureau en ontvangt vanaf 2016 een ‘retirement pension for health reasons’ van € 192.737 in 2020. X drijft sinds 2007 twee eenmanszaken en realiseert tot en met 2019 telkens negatieve resultaten, waaronder in 2019 een negatief resultaat uit overige werkzaamheden van € 29.939. In de aangifte IB/PVV 2020 claimt X een negatief resultaat uit overige werkzaamheden van € 78.044 en scholingsuitgaven van € 104. De inspecteur corrigeert deze posten bij het vaststellen van de aanslag en handhaaft die correcties bij uitspraak op bezwaar, waarna X beroep instelt. In geschil is of de activiteiten van X in 2020 een bron van inkomen vormen, zodat het negatieve resultaat uit overige werkzaamheden aftrekbaar is.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat in 2020 een objectieve voordeelsverwachting uit zijn activiteiten bestaat. De structureel negatieve resultaten, de investeringsfase in keramiek en kunst en de persoonlijke omstandigheden rechtvaardigen geen verwachting van toekomstige positieve opbrengsten. Voor de beleggingsactiviteiten sluit de rechtbank aan bij het eerdere oordeel van Hof Den Haag over de jaren 2015 tot en met 2018. De rechtbank kwalificeert de activiteiten daarom niet als bron van inkomen, zodat de inspecteur de aftrek van het negatieve resultaat uit overige werkzaamheden terecht weigert.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.94

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 6.27

Instantie: Rechtbank Den Haag

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 18 februari

Informatiesoort: VN Vandaag

30

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen