Stichting X verhuurt hooggekwalificeerd personeel aan basisscholen voor lesgevende taken. X stelt dat op haar werkzaamheden de BTW-onderwijsvrijstelling van toepassing is. Naar aanleiding van een boekenonderzoek legt de inspecteur een BTW-naheffingsaanslag op aan X. Volgens de inspecteur is over de diensten van X namelijk 21% BTW verschuldigd. Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat de BTW-vrijstelling voor onderwijsdiensten niet van toepassing is op de door X verrichte diensten. Er wordt namelijk niet voldaan aan de vereiste criteria van de vrijstelling, omdat X geen publiekrechtelijk lichaam is en ook niet is erkend als onderwijsinstelling. X gaat in cassatie. In geschil is of voor de toepassing van de BTW-onderwijsvrijstelling is vereist dat de verrichter van de dienst een erkende onderwijsinstelling is.
Advocaat-generaal Ettema concludeert dat X de BTW-onderwijsvrijstelling niet kan toepassen op haar diensten. Daarvoor is namelijk vereist dat zij een erkende onderwijsinstelling is. De A-G wijst op de Btw-richtlijn en de jurisprudentie van de Hoge Raad. Verder moet volgens de A-G ook het beroep van X op het vertrouwensbeginsel worden verworpen. De A-G overweegt daarbij dat het beroep op het nationaalrechtelijk vertrouwensbeginsel weliswaar zou slagen, maar dat het beperktere EU-rechtelijke vertrouwensbeginsel daaraan in de weg staat. Dat beginsel staat namelijk geen honorering van een beroep op vertrouwen toe als dat vertrouwen duidelijk in strijd met de wet- en regelgeving is gewekt. De A-G adviseert de Hoge Raad om het cassatieberoep ongegrond te verklaren.
Wetingang:
Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 artikel 8
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 11
Instantie: Hoge Raad (Advocaat-Generaal)
Rubriek: Omzetbelasting, Europees belastingrecht
Editie: 14 april
Informatiesoort: VN Vandaag