X is bestuurder van A BV, die een uitzendbureau exploiteert. A BV beëindigt haar activiteiten, draagt haar activiteiten over zonder goodwill te bedingen en gaat daarna failliet. In geschil is of X terecht aansprakelijk is gesteld voor de LB-naheffing en de vergrijpboete van de BV. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt na verwijzing (zie HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:185) dat X terecht aansprakelijk is gesteld voor de belastingschuld. Ambtshalve wordt de aansprakelijkstelling voor de boete vernietigd wegens schending van het una via-beginsel (verbod dubbele vervolging). De staatssecretaris stelt in zijn incidentele cassatieberoep dat het una via-beginsel niet is geschonden, omdat X strafrechtelijk is veroordeeld voor het doen van onjuiste LB-aangiften over 2011 en 2012, terwijl de vergrijpboete op 2013 ziet.
De Hoge Raad oordeelt dat de strafrechtelijke veroordeling op andere aangiftetijdvakken ziet dan de boete waarvoor X aansprakelijk is gesteld. Het gaat om sancties voor verschillende gedragingen, zodat het una-viabeginsel niet is geschonden (vgl. HR 22 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0087, r.o. 3.3, V-N 2010/6.7). De aansprakelijkstelling voor de boete van 2013 wordt vastgesteld op € 272.509. Het principale cassatieberoep van X wordt zonder motivering ongegrond verklaard (art. 81 lid 1 Wet RO).
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 5.44
Invorderingswet 1990 artikel 32
Invorderingswet 1990 artikel 36
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 69
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Invordering, Fiscaal bestuurs(proces)recht, Strafrecht
Editie: 13 april
Informatiesoort: VN Vandaag