A-G Ettema is van mening dat slechts sprake is van een als eenheid samenwerkende groep als de betrokken partijen hebben afgesproken dat zij de financiële zeggenschap als eenheid uitoefenen en zij moeten daar ook naar hebben gehandeld.

De heren Z en I zijn ieder 40% aandeelhouder van X BV (belanghebbende) en zij zijn ieder 50% aandeelhouder van G BV. G BV is 20% aandeelhouder van X BV en 100% aandeelhouder van M BV. Z is enig bestuurder van zowel X BV als G BV en G BV is enig bestuurder van M BV. Na een boekenonderzoek stelt de inspecteur dat X BV dat ten onrechte geen vergoeding heeft bedongen voor de werkzaamheden die zij voor M BV heeft verricht. In geschil zijn de BTW-naheffingsaanslagen die aan X BV zijn opgelegd. Volgens X BV is er een fiscale eenheid, zodat voor de onderling verrichte werkzaamheden geen BTW is verschuldigd. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat X BV, G BV en M BV geen fiscale eenheid vormen door het ontbreken van financiële verwevenheid. Niet in geschil is namelijk dat geen van de aandeelhouders een meerderheid van de aandelen in X BV bezitten. X BV beroept zich in cassatie op HR 19 december 1979, ECLI:NL:HR:1979:6, V-N 1980, nr. 2, p. 168-169. Op grond van dat arrest is er een financiële verwevenheid als de onderdelen van de fiscale eenheid financieel worden beheerst door een als eenheid samenwerkende groep personen.

Advocaat-Generaal Ettema is van mening dat slechts sprake is van een als eenheid samenwerkende groep als de betrokken partijen hebben afgesproken dat zij de financiële zeggenschap als eenheid uitoefenen en zij moeten daar ook naar hebben gehandeld. Uit de gedingstukken volgt niet dat Z en I als groep hebben samengewerkt. Het hof heeft daarom op goede gronden het aandelenbelang van Z en I afzonderlijk in aanmerking genomen. Zij beschikken ieder (deels middellijk) over 50% van de aandelen in X BV. Dit sluit uit dat zij zelfstandig in staat waren in financieel opzicht hun wil aan X BV op te leggen. Er is dus geen financiële verwevenheid tussen X BV enerzijds en G BV en M BV anderzijds. De conclusie strekt ook voor het overige tot ongegrondverklaring van het beroep van X BV.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 7

Instantie: Hoge Raad (Advocaat-Generaal)

Rubriek: Omzetbelasting

Editie: 13 januari

Informatiesoort: VN Vandaag

Focus: Focus

34

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen