X vormt een fiscale eenheid voor de omzetbelasting en verricht beheersdiensten aan pensioenfondsen, waaronder Stichting X, Stichting Y en Stichting Z. Voor het tweede kwartaal 2019 voldoet zij € 8.226.757 aan omzetbelasting over deze diensten en maakt zij bezwaar, omdat zij meent dat € 2.277.429 onder de vrijstelling voor het beheer van beleggingsfondsen valt. Stichting Z voert een exedent-regeling, een vrijwillige regeling en een nabestaandenpensioen uit. De inspecteur kwalificeert alleen de eerste twee regelingen als ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens. X verzoekt in beroep om teruggaaf van € 1101 inzake haar beheersdiensten aan Stichting Z.
In geschil is of X de vrijstelling voor het beheer van ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens gedeeltelijk mag toepassen op haar beheersdiensten aan Stichting Z.
Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat vrijstellingen een uitzondering vormen en dat X aannemelijk moet maken dat het beheer van het nabestaandenpensioen bijkomend opgaat in haar vrijgestelde diensten, wat zij niet doet. De rechtbank kwalificeert de door X aan Stichting Z verrichte beheersactiviteiten als één alles omvattende dienst tegen één vergoeding. Deze prestatie verschilt niet per pensioenregeling en laat geen splitsing in afzonderlijke diensten toe, zodat geen gedeeltelijke toepassing van de vrijstelling mogelijk is. Met verwijzing naar het arrest Blackrock bevestigt de rechtbank dat één prestatie één fiscale behandeling krijgt en verklaart zij het beroep ongegrond.
Wetingang:
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 11
Instantie: Rechtbank Noord-Holland
Rubriek: Omzetbelasting
Editie: 9 april
Informatiesoort: VN Vandaag