Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 voor X in stand blijft, omdat haar participatie in het filmfonds geen bron van inkomen vormt en haar beroep op het gelijkheidsbeginsel volgens de meerderheidsregel onvoldoende steun vindt.

X schaft in 2013 voor € 20.000 een participatie in een filmfonds aan dat twee films produceert. In haar aangifte IB/PVV 2013 neemt zij dit bedrag als negatief resultaat in box 1 op. De inspecteur volgt de aangifte aanvankelijk en legt de aanslag conform op. In 2018 kondigt de inspecteur navordering aan en legt een navorderingsaanslag op. Het filmfonds kent 141 participanten; bij een deel corrigeert de inspecteur de aftrekpost direct, bij een ander deel via navordering en bij 59 participanten vindt geen correctie plaats.

In geschil is of de inspecteur bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 voor X het gelijkheidsbeginsel schendt, met name volgens de meerderheidsregel, gezien de verschillende correcties bij participanten in hetzelfde filmfonds.

Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat alle 141 participanten in het filmfonds gelijke gevallen vormen, ongeacht of de inspecteur de aftrekpost bij de primitieve aanslag of via navordering corrigeert. Omdat bij slechts 59 participanten geen correctie plaatsvindt, bestaat geen meerderheid waarin juiste wetstoepassing ontbreekt, zodat de meerderheidsregel geen steun biedt. X maakt evenmin aannemelijk dat de inspecteur begunstigend beleid voert of een oogmerk van begunstiging heeft. De navorderingsaanslag en de in rekening gebrachte belastingrente vinden daarom wettelijke grondslag.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.94

Instantie: Rechtbank Noord-Holland

Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 14 april

Informatiesoort: VN Vandaag

10

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen