Naar aanleiding van de vondst van circa € 131.000 aan contant geld in en rond de woning van X na een brand en het daaropvolgende strafrechtelijke onderzoek, legt de inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV (2016 t/m 2018) op en vergrijpboeten wegens grove schuld voor 2016 en 2017.
Hof Amsterdam oordeelt dat de inspecteur de grove schuld voor de boeten niet overtuigend heeft bewezen. Voor beboeting geldt dat de feiten en omstandigheden die het beboetbare bestanddeel dragen buiten redelijke twijfel moeten vaststaan. Het hof acht wel aannemelijk dat het meest waarschijnlijke scenario is dat het aangetroffen geld aan X toebehoorde en dat zij dit in de desbetreffende jaren heeft genoten als resultaat uit overige werkzaamheden. Dat is echter onvoldoende om ook buiten redelijke twijfel te kunnen concluderen dat dit het enige mogelijke scenario is. De inspecteur heeft daarmee de grove schuld niet overtuigend aangetoond, zodat de vergrijpboeten 2016 en 2017 worden vernietigd. De navorderingsaanslagen blijven daarentegen in stand. De informatiebeschikking is onherroepelijk geworden doordat X niet heeft gereageerd en geen rechtsmiddel heeft ingesteld, waardoor omkering en verzwaring van de bewijslast geldt. X heeft niet overtuigend aangetoond dat de door de inspecteur aangebrachte correcties onjuist zijn. Bovendien berusten de aanslagen op een redelijke, niet–willekeurige schatting.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.90
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 27E
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 67E
Instantie: Hof Amsterdam
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting
Editie: 21 januari
Informatiesoort: VN Vandaag