X BV importeert zeven auto's en schrijft deze in het kentekenregister in. Zij voldoet op aangifte BPM, berekend op basis van taxatierapporten van Y BV, waarin een lagere NEDC1-CO2-uitstoot en waardevermindering wegens schade zijn verwerkt. De RDW keurt de auto’s en registreert hogere CO2-waarden. De inspecteur heft vervolgens € 3866 BPM na met gebruik van de RDW-gegevens en de door X BV gehanteerde historische nieuwprijzen en handelsinkoopwaarden. X BV maakt bezwaar en stelt beroep in bij de rechtbank en vervolgens hoger beroep bij het hof. In geschil is of X BV bij de BPM-naheffingsaanslag NEDC1-CO2-uitstoot mag toepassen op basis van soortgelijke referentievoertuigen.
Hof Den Haag oordeelt dat X BV geen recht heeft op toepassing van NEDC1-CO2-waarden. Het hof past het door de Hoge Raad geformuleerde toetsingskader toe en stelt dat X BV moet aantonen dat de ingevoerde auto’s en de binnenlandse referentievoertuigen gelijksoortig zijn en onder dezelfde EG-typegoedkeuring vallen. De door X BV overgelegde referentieauto’s verschillen in massa, milieuklasse en typegoedkeuring, zodat niet aannemelijk is dat het CO2-verschil uitsluitend uit de meetmethode voortvloeit. De naheffingsaanslag, gebaseerd op de door de RDW geregistreerde CO2-uitstoot, blijft daarom in stand.
Wetingang:
Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 artikel 9
Uitvoeringsregeling belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 artikel 6A
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie artikel 110
Instantie: Hof Den Haag
Rubriek: Belastingheffing van motorrijtuigen, Europees belastingrecht
Editie: 16 februari
Informatiesoort: VN Vandaag