Rechtbank Den Haag oordeelt dat geen proceskostenvergoeding wordt toegekend wanneer een BTW-naheffingsaanslag enkel uit coulance wordt verminderd. Een herroeping wegens een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid ontbreekt.

X BV is sinds september 2024 BTW-ondernemer. Over het vierde kwartaal 2024 dient X BV de aangifte niet tijdig in. De inspecteur stelt op 26 februari 2025 de verschuldigde belasting ambtshalve vast en legt een naheffingsaanslag en twee verzuimboetes op. X BV dient op 21 maart 2025 alsnog een nihilaangifte in. Op 4 april 2025 vermindert de inspecteur de aanslag en de boete voor het niet betalen naar nihil. In de uitspraak op bezwaar van 27 juni 2025 vernietigt de inspecteur de boete voor het niet tijdig doen van aangifte uit coulance. De inspecteur wijst het verzoek van X BV om vergoeding van de proceskosten af wegens het ontbreken van een aan hem te wijten onrechtmatigheid.

Rechtbank Den Haag oordeelt dat de vermindering van de aanslag en boetes niet voortvloeit uit een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid. De aanslag is opgelegd op basis van de beschikbare gegevens, omdat X BV de aangifte te laat indient. De latere vermindering volgt uit de door X BV na afloop verstrekte juiste gegevens en uit coulance. Een herroeping om andere reden dan een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid geeft geen recht op proceskostenvergoeding. Dat de coulanceregels vooraf niet inzichtelijk zouden zijn, raakt niet aan de wettelijke voorwaarden van artikel 7:15 Awb. Het beroep is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet bestuursrecht artikel 7.15

Instantie: Rechtbank Den Haag

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 6 januari

Informatiesoort: VN Vandaag

271

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen