X bezit een woning die hij financiert met een hypotheek. In 2009 verklaart de rechtbank X persoonlijk failliet en verkoopt de ING de woning via een executieveiling, waardoor een restschuld ontstaat. De VIA vermeldt een schuld van € 69.553 bij BLG-Hypotheek. X doet aangifte IB/PVV 2019 naar een loon van € 51.489 en negatieve inkomsten uit eigen woning van € 39.851 als rente restschuld vroegere eigen woning. De inspecteur corrigeert de renteaftrek. In geschil is of X rente over de restschuld voormalige eigen woning mag aftrekken.
Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat de in art. 3.120a lid 2 Wet IB 2001 opgenomen tijdelijke aftrekmogelijkheid voor de rente op restschulden ziet op het tijdstip waarop de belastingplichtige de eigen woning vervreemdt. Omdat de ING de woning van X in 2009 verkoopt, valt de vervreemding buiten de periode 29 oktober 2012 tot en met 31 december 2017, zodat X geen rente over de restschuld kan aftrekken. Het hof verwerpt het beroep op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, omdat voorlopige aanslagen, VIA-gegevens en website-informatie geen te beschermen vertrouwen of gelijke gevallen scheppen. Het hoger beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.120A
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 10 april
Informatiesoort: VN Vandaag