Belanghebbende, X, biedt rondritten per autobus door Amsterdam aan. Sinds 1 januari 2018 heft de gemeente Amsterdam een vermakelijkhedenretributie voor het tegen vergoeding bedrijfsmatig geven van een vermakelijkheid met een autobus, waarbij gebruik wordt gemaakt van gemeentelijke voorzieningen. In 2019 bedraagt het tarief € 0,66 per passagier per rondrit. X voldoet over het tweede, derde en vierde kwartaal van 2019 in totaal ruim € 171.000 op aangifte. In de praktijk wordt de heffing alleen toegepast op X en twee vergelijkbare aanbieders. X stelt dat andere touringcarbedrijven ten onrechte buiten de heffing blijven. Volgens X is daarom (i) de verordening onverbindend wegens strijd met algemene rechtsbeginselen en (ii) het gelijkheidsbeginsel geschonden, via begunstigend beleid dan wel de meerderheidsregel.
Volgens A-G Koopman is de vermakelijkhedenretributie te land van de gemeente Amsterdam zowel op het niveau van de verordening als in de uitvoering niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Voor begunstigend beleid geldt bij aangiftebelastingen dat niet-handhaving op zichzelf onvoldoende is voor schending van het gelijkheidsbeginsel; vereist is dat het controlebeleid is gericht op begunstiging van een bepaalde groep. Dat is volgens het hof niet aannemelijk geworden. Ook het beroep op de meerderheidsregel faalt, omdat X onvoldoende concrete en verifieerbare gegevens heeft verstrekt op grond waarvan de gemeente had kunnen naheffen. Ook het oordeel van het hof dat de retributie niet leidt tot een onredelijke en willekeurige heffing kan in stand blijven. Zelfs als uiteindelijk slechts enkele aanbieders worden belast, maakt dat de verordening niet onverbindend. Een beperkte kring van belastingplichtigen is op zichzelf niet willekeurig. De advovaat-generaal merkt wel op dat de systematiek van de verordening (heffing per “rondrit”) meebrengt dat niet-rondritten buiten beeld blijven. Dat acht hij logisch, omdat vervoer van A naar B doorgaans geen “vermakelijkheid” is in de zin van art. 229 Gemeentewet. De klachten over schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, motiveringsbeginsel en evenredigheidsbeginsel falen eveneens. Dat de heffing nadelig uitpakt voor een beperkte groep betekent niet dat zij onevenredig of onzorgvuldig tot stand is gekomen.
Wetingang:
Instantie: Hoge Raad (Advocaat-Generaal)
Rubriek: Belastingen van lagere overheden, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 17 februari
Informatiesoort: VN Vandaag