X BV behoort tot een Luxemburgs concern dat in financiële instrumenten handelt. Daarbij werden onder andere long posities aangegaan in aandelen met daartegenover short posities om op groepsniveau een hedge te bewerkstelligen en daarmee de collateralverplichting jegens de haar financierende bank te beperken. Naar aanleiding van een onderzoek naar dividendstripping legt de inspecteur VPB-(navorderings)aanslagen op aan X BV. Volgens de inspecteur is X BV niet de uiteindelijk gerechtigde van de op de aandelen uitgekeerde dividenden, zodat verrekening van de dividendbelasting niet aan de orde is. Hof Amsterdam oordeelt dat X BV de dividendbelasting die is ingehouden op de aandelen niet als teruggaaf of te verrekenen voorheffing in aanmerking kan nemen. X BV kan niet worden aangemerkt als de ‘uiteindelijk gerechtigde’ als bedoeld in art. 25 lid 2 Wet VPB 1969. X BV gaat in cassatie.
Advocaat-generaal Wattel concludeert dat X BV de dividendbelasting die is ingehouden op de aandelen die aan haar zijn toegedeeld niet als teruggaaf of te verrekenen voorheffing in aanmerking kan nemen. Volgens de A-G voldoet X BV niet aan de op haar rustende tegenbewijslast. De A-G merkt op dat het hof de argumenten en bewijsmiddelen minutieus heeft onderzocht en die van de inspecteur overtuigender heeft geacht dan die van X BV. Het hof heeft bewijsrechtelijk terecht geoordeeld dat het aan X BV was om het uit de bewijsmiddelen oprijzende vermoeden van minder verrekeningsrecht en positiebehoud te ontzenuwen. De A-G adviseert de Hoge Raad om het beroep in cassatie van X BV ongegrond te verklaren.
Wetingang:
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 25
Instantie: Hoge Raad (Advocaat-Generaal)
Rubriek: Vennootschapsbelasting, Dividendbelasting
Editie: 9 maart
Informatiesoort: VN Vandaag