In 2013 sluit de gemeente Den Haag een samenwerkingsovereenkomst met stichting X en onder andere het Koninklijk Conservatorium. Op grond van deze overeenkomst verhuurt de gemeente onderwijs- en cultuurcomplex Amare aan X. X onderverhuurt op haar beurt, verplicht, een deel van het gebouw aan KC. In 2021 sluiten X en KC, ter vervanging van de onderverhuurovereenkomst, een gebruiksovereenkomst. In het kader van deze gebruiksovereenkomst volgt er overleg tussen X en de inspecteur. Volgens X zijn de door haar verrichte diensten aan te merken als verhuur-plus (meer dan passieve verhuur). De inspecteur betoogt echter dat het gaat om bijkomende diensten bij de vrijgestelde verhuur van de ruimtes.
Rechtbank Den Haag oordeelt dat de verhuur door X aan het Koninklijk Conservatorium niet is aan te merken als verhuur-plus. De rechtbank overweegt daarbij dat sprake is van handelingen die zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij één enkele ondeelbare prestatie vormen. De activiteiten van X moeten worden gekarakteriseerd als de enkele terbeschikkingstelling van een goed, en niet als het leveren van een prestatie. De activiteiten die X jegens KC verricht zijn met name gericht op het (verplicht) onderverhuren van een gedeelte van het gebouw. Dat zij als onderverhuurder onderhoud verricht, het gebouw bewaakt en schoonmaakt en de kosten van gas, water en elektriciteit alsmede verzekeringspremies betaalt, maakt dat niet anders. Het gelijk is aan de inspecteur.
Wetingang:
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 11
Instantie: Rechtbank Den Haag
Rubriek: Omzetbelasting
Editie: 16 december
Informatiesoort: VN Vandaag