X koopt voor € 100.000 een recreatiewoning, waarvoor de leveringsakte permanente bewoning uitsluit en recreatief gebruik voorschrijft. Ter zake van de verkrijging van de woning voldoet X € 0.400 overdrachtsbelasting, maar kondigt aan dat zij de woning als hoofdverblijf gaat gebruiken. Daarnaast huurt X een kamer in een andere woonplaats en blijft op dit adres ingeschreven in de basisregistratie personen. Rechtbank Den Haag oordeelt dat het verlaagde tarief terecht niet is toegepast. De bankafschriften van X vormen onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat de recreatiewoning haar centrale levensplaats vormt. Daarnaast gaat het om een beperkt aantal betalingen die in het weekend plaatsvinden. X gaat in hoger beroep. In geschil is wederom of X voor de verkrijging van de woning voldoet aan het hoofdverblijfcriterium en recht heeft op het verlaagde tarief overdrachtsbelasting.
Hof Den Haag oordeelt dat de bewijslast voor toepassing van het verlaagde tarief bij X ligt en dat zij niet aannemelijk maakt dat de recreatiewoning haar centrale levensplaats vormt. Het hof neemt hierbij in overweging dat X de gehuurde woonruimte aanhoudt en aldaar haar vrijwilligerswerk doet en kinderen ziet. De betrokkenheid bij de coöperatie volgt uit het eigendom en bewijst geen hoofdverblijf. Daarnaast zijn de in het weekend gedane pinbetalingen met kleine bedragen eerder een aanwijzing van recreatief gebruik dan van bewoning. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 4
Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 14
Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 14
Instantie: Hof Den Haag
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Belastingen van rechtsverkeer
Editie: 12 maart
Informatiesoort: VN Vandaag