Advocaat-generaal Koopman bespreekt de vraag of er voor de inspecteur een verplichte rangorde bestaat tussen toepassing van art. 47 AWR en een informatie-uitwisselingsverdrag. Hij concludeert dat het fiscale territorialiteitsbeginsel geen zelfstandig rechtsbeginsel vormt dat kan dwingen tot het buiten toepassing laten van Nederlandse wetgeving in formele zin. Ook het uitputtings- of subsidiariteitsbeginsel in de TIEA strekt er volgens de A-G toe om staten onderling te ontlasten en niet om (potentieel) belastingplichtigen rechtsbescherming te bieden. Het relativiteitsvereiste staat daarom in de weg aan een succesvol beroep daarop door X. Het territorialiteitsbeginsel noch het uitputtingsbeginsel verplicht de inspecteur tot een vaste rangorde tussen art. 47 AWR en de TIEA. De A-G adviseert het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO ongegrond te verklaren maar wel kort in te gaan op de verhouding tussen de TIEA en art. 47 AWR.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 47
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 52A
Instantie: Hoge Raad (Advocaat-Generaal)
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 13 januari
Informatiesoort: VN Vandaag