Advocaat-generaal Koopman is van mening dat het territorialiteitsbeginsel noch het uitputtingsbeginsel de inspecteur dwingen om als eerste met toepassing van de TIEA informatie op te vragen van een in Yersey gevestigde Ltd. en daarna pas met toepassing van art. 47 AWR of andersom.

Belanghebbende, X Ltd, is opgericht en statutair gevestigd op Jersey. De aandelen worden gehouden door een man en een vrouw, die tevens bij X Ltd in dienst zijn en door haar worden gedetacheerd. Zij stellen dat zij sinds hun verhuizing naar Jersey niet langer gehouden zijn om informatie te verstrekken aan de Nederlandse inspecteur. Volgens hen werkt art. 47 AWR niet door buiten de Nederlandse rechtsorde en verzet het territorialiteitsbeginsel zich tegen rechtstreekse informatieverzoeken, nu Nederland beschikt over een Tax Information Exchange Agreement (TIEA) met Jersey. Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat de inspecteur twee routes ter beschikking staan: de rechtstreekse benadering op grond van art. 47 AWR en de verdragsroute via de TIEA. Het hof acht het niet ondenkbaar dat het territorialiteitsbeginsel meebrengt dat de inspecteur eerst, en mogelijk uitsluitend, gebruik moet maken van de TIEA. Tegelijkertijd overweegt het hof dat uit art. 1 TIEA juist volgt dat de verdragsroute pas aan de orde is nadat andere mogelijkheden zijn uitgeput.

Advocaat-generaal Koopman bespreekt de vraag of er voor de inspecteur een verplichte rangorde bestaat tussen toepassing van art. 47 AWR en een informatie-uitwisselingsverdrag. Hij concludeert dat het fiscale territorialiteitsbeginsel geen zelfstandig rechtsbeginsel vormt dat kan dwingen tot het buiten toepassing laten van Nederlandse wetgeving in formele zin. Het uitputtings- of subsidiariteitsbeginsel in de TIEA strekt er volgens de A-G toe om staten onderling te ontlasten en niet om (potentieel) belastingplichtigen rechtsbescherming te bieden. Het relativiteitsvereiste staat daarom in de weg aan een succesvol beroep daarop door X Ltd. Het territorialiteitsbeginsel noch het uitputtingsbeginsel verplicht de inspecteur tot een vaste rangorde tussen art. 47 AWR en de TIEA. Overigens acht de A-G het zeer de vraag of de Hoge Raad aan deze materiële beoordeling toekomt, nu volgens hem niet is aangetoond dat de indieners bevoegd waren om namens X Ltd cassatieberoep in te stellen. De A-G adviseert de Hoge Raad dan ook het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 47

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 52A

Instantie: Hoge Raad (Advocaat-Generaal)

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Internationaal belastingrecht

Editie: 13 januari

Informatiesoort: VN Vandaag

30

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen