X doet BPM-aangifte voor een personenauto naar een te betalen bedrag van € 15.639. Hij voegt een taxatierapport toe dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 89.587 stelt, gebaseerd op een marktonderzoek met drie referentievoertuigen. De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat is in het rapport vastgesteld op € 45.216. De inspecteur laat DRZ hertaxeren. Hieruit volgt een onbeschadigde handelsinkoopwaarde van € 109.576 aan de hand van twee referenties, 72% van € 15.484 schade en een handelsinkoopwaarde in beschadigde staat van € 98.428. De inspecteur legt vervolgens een naheffingsaanslag van € 14.122 op, waarna X bezwaar, beroep en hoger beroep instelt.
In geschil is of de inspecteur bij het BPM-marktonderzoek de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat juist bepaalt, inclusief de keuze en waardering van referentieauto’s.
Hof 's-Hertogenbosch oordeelt dat bij een BPM-marktonderzoek, wanneer een vrijwel identiek referentievoertuig ontbreekt, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op basis van het gemiddelde van minimaal twee referentieauto’s een redelijke benadering vormt. Er is geen aanleiding om van de handelsinkoopwaarde van slechts één referentievoertuig uit te gaan. Het hof herrekent de BPM, verlaagt de naheffingsaanslag tot € 12.898 en verwerpt de aanvullende schade-argumenten van X.
Wetingang:
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 8
Algemene wet bestuursrecht artikel 7.15
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Belastingheffing van motorrijtuigen
Editie: 5 februari
Informatiesoort: VN Vandaag