X exploiteert in maatschapsverband met zijn vader en moeder een dierenartspraktijk. In 2020 word een bod van in totaal, inclusief groeibetalingen, maximaal € 4,4 mln gedaan door een private-equitypartij. Dit bod wordt afgewezen. Vervolgens richten X en zijn ouders in december 2020 diverse BV’s op. De praktijk wordt daarbij ruisend ingebracht tegen een inbrengwaarde van € 545.051, inclusief € 400.000 goodwill. De goodwillwaarde is berekend aan de hand van de methode van de KNMD. Medio 2021 wordt de praktijk alsnog verkocht voor € 4,7 mln en maximaal € 1,7 mln aan groeibetalingen. De inspecteur corrigeert de door X ingediende IB-aangifte 2020. De inspecteur gaat namelijk uit van een goodwill van € 4,7 mln in plaats van de door X aangegeven € 400.000.
Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inbrengwaarde van de dierenartspraktijk van X, schattenderwijs, moet worden bepaald op € 4 mln. De rechtbank overweegt daarbij dat het niet redelijk is om geen rekening te houden met de omstandigheid dat een concurrent in de omgeving per 1 juli 2021 is gestopt. Deze omstandigheid heeft namelijk een positief effect gehad op het uiteindelijke overnamebod. De door X gebruikte waarderingsmethode is volgens de rechtbank niet goed te gebruiken omdat bij deze methode ten onrechte geen rekening wordt gehouden met de groeipotentie die de private-equitypartij blijkens haar indicatieve bod aanwezig achtte.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.8
Instantie: Rechtbank Den Haag
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 27 maart
Informatiesoort: VN Vandaag