Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat een agrarisch perceel bij een woning geen aanhorigheid vormt voor de toepassing van het verlaagde overdrachtsbelastingtarief. De rechtbank bepaalt dat voor het perceel het algemene tarief geldt.

X koopt voor € 725.000 een onroerende zaak met woning, erf, tuin, agrarische grond en verdere aanhorigheden. Het bestemmingsplan wijst de grond aan als agrarisch. De koopovereenkomst vermeldt aanvankelijk dat de verkoper het aangeplante agrarische perceel tot de oogst onderhoudt. In een addendum verklaren partijen dat de grond altijd bij de woning hoort en als tuin moet dienen. De leveringsakte splitst de koopprijs fictief in een woningdeel en een agrarisch deel en past respectievelijk het lage en het hoge tarief toe. X voldoet € 25.588 overdrachtsbelasting en maakt bezwaar. In geschil is of het agrarische perceel bij de woning als aanhorigheid kwalificeert zodat het verlaagde tarief voor overdrachtsbelasting geldt.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur het geschil in bezwaar mag heroverwegen en zich niet aan de notariële kwalificatie van het perceel hoeft te binden. De rechtbank stelt dat X moet aantonen dat het perceel objectief bij de woning behoort, daarbij in gebruik is en daaraan dienstbaar is. Uit RVO-gegevens en luchtfoto’s blijkt dat een maatschap het perceel bedrijfsmatig als landbouwgrond gebruikt en dat beplanting en bebouwing het erf duidelijk afscheiden. Het latere addendum weegt minder zwaar dan deze objectieve gegevens. Daarom vormt het agrarische perceel geen aanhorigheid en geldt het algemene tarief van art. 14 lid 1 Wet BRV 1970.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 14

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Belastingen van rechtsverkeer

Editie: 27 maart

Informatiesoort: VN Vandaag

Dossiers: Agro

20

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen